Posts tonen met het label ziektes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ziektes. Alle posts tonen

donderdag 29 december 2011

Schmallenbergvirus

Het zogeheten Genus Orthobunyavirus is in 2011 in Duitsland voor het eerst aangetroffen bij runderen. Bij de verspreiding van dit virus zijn knutten in het spel. Vergelijkende analyses van het genetische materiaal doen vermoeden dat het virus verwant is aan de groep van Akabane-achtige virussen. Het virus dat in Duitsland  door het Friedrich Loeffler Instituut is gevonden, wordt voorlopig aangeduid als 'Schmallenberg-virus',
Op  www.levendehave.nl staat ook een dossier over het Schmallenbergvirus met nieuws en veel gestelde vragen en antwoorden

Orthobunya-virussen

Orthobunya-virussen worden gevonden bij runderen in Oceanië, Australië en Afrika. Besmette dieren vertonen lichte ziekteverschijnselen. Een besmetting bij drachtige dieren kan zorgen voor schade aan de vrucht, vroeggeboortes en verstoring van de vruchtbaarheid.
Orthobunya- virussen behoren tot de familie van de Bunyaviridae. Ze veroorzaken vooral ziekteverschijnselen bij vee, maar er zijn ook typen - waaronder het California encephalitis virus en La Crosse virus - die hersenvliesontsteking bij mensen veroorzaken. Het Oropouche virus, dat net als het Schmallenberg virus onderdeel is van de Simbu serogroep, veroorzaakt ziekteverschijnselen die gepaard gaan met hoofdpijn duizeligheid, spierpijn, gevoeligheid voor licht en een gevoel van algehele malaise. Deze verschijnselen kunnen soms lang aanhouden en nadat ze verdwenen zijn, weer de kop opsteken..
Akabane virus en Shamondavirus
Het Akabane-virus, vernoemd naar een gebied in Japan waar het oor het eerst is gevonden, verzoorzaakt geen ziekteverschijnselen bij jonge en volwassen dieren, maar richt wel schade aan bij de foetus, in het bijzonder in het centrale zenuwstelsel.
In Australie is het virus vooral aangetroffen in gebieden waar de knut Culicoides brevitarsis actief is. Daar hebben ze het virus ook weten te isoleren uit deze knutten. Vermoed wordt dat deze knutten het virus verspreiden.
Het Schmallenbergvirus lijkt nog het meets op het Shamondavirus, dat vooral is aangetroffen in Azie en Afrika. Dit virus wordt ook overgedragen door knutten en veroorzaakt vooral bij herkauwers aangeboren afwijkingen. Van dit virus is bekend dat het niet lang buiten een schaap of rund kan overleven.

Cache Valley Virus
Verder wordt het Schmallenbergvirus wel in verband gebracht met het Cache Valley Virus (CVV), ook een Orthobunyavirus. Dit virus komt veel voor bij schapen in Noord Amerika. Dit virus dringt via knutten de ooi binnen en infecteert de lammeren in de baarmoeder. In de vierde en vijfde week van de dracht van de ooi kan dit leiden tot misvormingen aan zenuwstelsel, spieren en skelet. Raken de lammeren in de vijfde tot de zesde week geinfecteerd, dan richt het alleen schade aan aan spieren en skelet. Is het ongeboren lam op het moment van infectie al wat ouder dan kan het zelf antistoffen tegen de ziekte aanmaken.
Voor meer informatie over het Cache Valley Virus, zie www. physorg.com

Vector-overdraagbaar

Het Schmallenbergvirus behoort tot een groep van vector-overdraagbare virusziekten. Meest waarschijnlijke vector is de knut, hetzelfde insect dat het Blauwtongvirus overdraagt. De knut komt in heel Nederland voor. Knutten zijn alleen actief gedurende de zomermaanden en de komende maanden behoren tot de zogenaamde knuttenvrije periode. Gezien het feit dat het in 2011 een bijzonder mooie nazomer is geweest met zelfs in november nog relatief hoge temperaturen, mag worden aangenomen dat besmetting van (drachtige) dieren tot minimaal half november heeft kunnen plaatsvinden. Daarom moet er rekening mee gehouden worden dat er tot ver in 2012 misvormde lammeren geboren zullen worden.
Symptomen van het Schmallenbergvirus
Bij de schapen doen zich alleen symptomen voor bij de lammeren. De lammeren vertonen ernstige neuromusculaire afwijkingen zoals arthrogrypose (kromme poten), ankylose (vastzittende gewrichten), scoliose en kyfose (kromme ruggen), torticollis (gedraaide nekken), verkorte bovenkaken en afwijkingen aan de hersenen. De geboorte van deze misvormde lammeren gaat soms moeizaam. De ooien zelf vertonen geen ziekteverschijnselen.
Bij de runderen wordt bij de volwassen dieren diarre, melkproductiedaling en soms koorts gezien. Bij de kalveren is nog geen Schmallenbergvirus aangetoond.

Diagnostiek
Het Centraal Veterinair Instituut heeft de RT-PCR gekregen die door het Duitse zusterinstituut FLI is ontwikkeld en gebruikt voor de diagnostiek bij runderen en de misvormde lammeren. Naar verwachting zal de GD binnen korte tijd ook over de duitse RT-PCR kunnen beschikken en dus ook in staat zijn om diagnostiek uit te voeren. Er zijn nog geen testen beschikbaar om afweerstoffen tegen dit nieuwe virus aan te tonen. Daarom is het niet mogelijk om op korte termijn een retrospectief onderzoek te doen om bijvoorbeeld te kijken of deze nieuwe ziekte al eerder aanwezig geweest is in Nederland. De GD en het CVI zullen de komende tijd nauw samenwerken om de diagnostiek verder te ontwikkelen, epidemiologisch onderzoek te starten en te kijken naar mogelijke vaccinontwikkeling. Hierbij wordt ook nauw samengewerkt met het RIVM en het Duitse FLI.
Bron: www.levendehave.nl

Verdere ontwikkelingen kunnen hier gevolgd worden:

zondag 23 oktober 2011

Coccidiose

In november zijn er de jaarlijkse voorlichtingsavonden georganiseerd door het Praktijkcentrum Kleine Herkauwers, De Vlaamse overheid - Dep. Landbouw en Visserij - Afd. Duurzame Landbouwontwikkeling,
De data zijn terug te vinden in de agenda.
Dit jaar wordt de ziekte coccidiose toegelicht.


Coccidiose treedt bij schapen vooral op bij een dichte bezetting en intensieve beweiding, op een leeftijd van 6 tot 8 weken, als de bescherming van de moedermelk wegvalt. Er is sprake van een infectie met coccidiën, die als oöcysten worden opgenomen op stal of in de weide.

Eéncelligen
Coccidiën zijn ééncellige micro-organismen, die de bekledende cellen van de darmwand aantasten. De coccidiën dringen de darmcellen binnen, die daardoor beschadigd raken, waardoor inwendig bloedverlies kan optreden. Dit bloed ondergaat in het darmkanaal vertering, waardoor de mest donker tot zwart gekleurd wordt. Door het bloedverlies kunnen de dieren bleek worden en verzwakken en vermageren. Tengevolge van de diarree staan zij nodeloos te persen. Soms treedt sterfte op. Het lijkt erop dat de infectie in toenemende mate voorkomt.

Vermenigvuldigen
De coccidiën kunnen zich in de darmwand in hoog tempo vermenigvuldigen. Ongeslachtelijk door directe deling, maar ook geslachtelijk door manlijke en vrouwelijke exemplaren, waarbij grote hoeveelheden eieren of oöcysten (soms honderd duizenden per gram mest) vrij komen, die de stalbodem of de weide weer besmetten.
Kenmerkend voor deze oöcysten is dat zij zeer resistent zijn tegen uitwendige invloeden zoals koude, hitte of (chemisch) ontsmetten.

Diagnose
De diagnose kan gesteld worden door het uitvoeren van microscopisch onderzoek van de mest. Hierin zijn de oöcysten soms in zeer grote hoeveelheden zichtbaar. Onder de microscoop ogen ze als kleine roze doorschijnende bolletjes, voorzien van een stevige wand.
Het aantal oöcysten is geen maat voor de ernst van de infectie. Bij dit onderzoek worden vaak eveneens wormeieren aangetroffen, die vanzelfsprekend ook en eventueel gelijktijdig bestreden moeten worden.

Behandeling
Is er eenmaal sprake van een zware infectie dan worden de lammeren gemakkelijk jaar op jaar besmet en moeten er dus preventieve maatregelen genomen worden in de vorm van behandeling of door middel van andere huisvesting of een ander beweidingschema.
De behandeling van coccidiose bestaat uit het via de bek toedienen van Vecoxan (diclazuril) of Baycox Sheep (toltrazuril) in een dosering van 1 ml per 2,5 kg lichaamsgewicht. Beide middelen zijn enkel geregistreerd om preventief (ter voorkoming) in te zetten. Curatief (ter behandeling) inzetten is niet geregistreerd en levert ook minder goede resultaten op. Vecoxan werkt ongeveer twee weken terwijl Baycox Sheep ongeveer 5 weken werkt. Tijdens deze periode bouwen de lammeren actief weerstand op.
Aangezien coccidiose een koppelziekte is moeten alle (jonge) dieren van dezelfde leeftijd gelijktijdig behandeld worden en het liefst op een moment dat de schade ten gevolge van vermagering of sterfte nog niet begonnen is.
Bij goede behandeling, dat wil zeggen voordat de verschijnselen zichtbaar zijn, ontwikkelen de lammeren weerstand, waardoor zij later geen last meer van de ziekte hebben. Wel kunnen zij als volwassen dieren opnieuw oöcysten uitscheiden en zodoende volgende generaties besmetten. In geval van een zware besmetting kan een tweede behandeling noodzakelijk zijn.
In het verleden werden ter voorkoming van de infectie middelen zoals monensin en amprolium door speciale brokken gemengd om de lammeren langdurig te kunnen behandelen. Deze middelen zijn niet meer geregistreerd en dus niet meer toegestaan.
De wachttijd voor Vecoxan bedraagt nul dagen; voor Baycox Sheep is dit 42 dagen. Ook bij andere diersoorten, zoals konijnen, kalveren en pluimvee komt coccidiose voor, die heel andere specifieke verschijnselen veroorzaken.

Bron